Departement Wijsbegeerte
Doctoraatsverdedigingen
Smoldering Decay: A philosophy of withering relations - Franlu Vulliermet (2/07/2026)
Franlu Vulliermet
- Doctoraatsverdediging: 2 juli 2026
- Promotor: Kristien Hens
Abstract
Dit proefschrift neemt relaties als rode draad om over milieuproblemen te denken en ontwikkelt een "filosofie van verwelkende relaties". Bij nader toezien lijken veel van de concepten (omgeving, organismen, vervuiling) waarmee milieuproblemen worden besproken, geen stand te houden als op zichzelf staande gehelen. Ik verdedig dat relaties niet secundair zijn. Integendeel: relaties zijn constitutief. Zij bepalen wat wezens zijn, hoe zij zich ontwikkelen en hoe werelden samenhang krijgen.
Deel I onderzoekt het concept van omgeving via genealogische en metafysische analyse. Vanuit de hedendaagse biologie, met name de epigenetica en het concept van het holobiont, betoog ik dat organismen en omgevingen elkaar wederzijds constitueren.
Deel II verschuift van theoretische analyse naar veldwerk en een onderzoeksverblijf bij de Kichwa in de Boven-Napo-regio van Ecuador. In deze context krijgt relationaliteit een concrete vorm in sumak kawsay, dat niet verschijnt als een abstract ideaal maar als geleefde praktijk van samenleven, voedsel, gezondheid, arbeid en de circulatie van vitaliteit in het dagelijks leven. Ik argumenteer dat vervuiling niet in de eerste plaats begrepen moet worden als de aanwezigheid van een schadelijke, vreemde stof, maar als een vorm van solastalgie: het doorsnijden van relaties. In de woorden van de Kichwa is "vervuiling" geen technische term. Zij drukt daarentegen een verlies uit: minder vis, minder vruchten, dieren die zich terugtrekken, een bos dat minder responsief wordt.
Deel III zet de reflectie over vervuiling voort via het leven en denken van Tanaka Shōzō, de eerste Japanse milieuactivist die zich tijdens de Meiji-periode verzette tegen de milieuschade die werd veroorzaakt door de Ashio-kopermijn ten noorden van Tokio. Via zijn begrippen doku (gif) en nagare (stroom/flow) wordt vervuiling beter begrijpelijk als een verstoring van stromen die tegelijk materieel, sociaal, ecologisch en politiek zijn. Daarna stel ik, via conceptuele engineering, voor om vervuiling te begrijpen als een "breed" (thick) concept dat politieke, scalaire, symbolische, ecologische en lichamelijke dimensies omvat.
Deel IV geeft het onderzoek een metafysische ruggengraat die steunt op Gilbert Simondons theorie van individuatie, Nishida Kitarō's concept basho (plaats/veld) en Watsuji Tetsurō's idee van aidagara (het tussengebied / "tussen-zijn"). Op deze ontologische basis ontwikkel ik een "ethiek van verval" (ethics of decay): een normatief kader dat ethische eisen niet lokaliseert in bepaalde vermogens van individuele wezens, maar in de voorwaarden die velden leefbaar houden ondanks hun kwetsbaarheid en onomkeerbaarheid.
Betovering, betekenisgeving, levensverhaal: Filosofische perspectieven op een hedendaagse betoveringservaring - Evelien Van Beeck (24/04/2026)
Evelien Van Beeck
- Doctoraatsverdediging: 24 april 2026
- Promotoren: Herbert De Vriese (Ƶ) en Paul Cortois (KU Leuven)
Abstract
Webers analyse van onttovering in de moderne samenleving, als een schijnbaar onvermijdelijk gevolg van de toenemende dominantie van de rationaliteit in de moderne tijd, vormt het theoretisch kader van dit proefschrift. Het specifieke onderzoeksthema is het zinverlies dat de onttovering vergezelt en karakteriseert. Anders dan in de sociologische en cultuurhistorische analyses van Weber, en van velen in zijn kielzog, is de leidende ambitie van dit proefschrift om het individuele perspectief te beschouwen en dieper in te gaan op de consequenties van onttovering en zinverlies voor het moderne individu. Daarbij gaat de aandacht ook uit naar vruchtbare strategieën om dit verlies te herstellen.
Tegen de achtergrond van de dubbele premisse dat het persoonlijke leven in de moderne tijd door zinverlies bedreigd wordt, en dat de zoektocht naar betekenis en zin niets minder is dan een existentiële behoefte, onderzoekt dit proefschrift het belang van betovering voor een nieuwe betekenisgeving. De onderzoekshypothese luidt dat onttovering niet alleen de ervaring van zin bedreigt, maar voor de moderne mens ook nieuwe ervaringen van betovering mogelijk maakt, in evenwichtigere en beter overwogen vorm.
Voor de theoretische uitwerking worden twee cruciale deelanalyses uitgevoerd en op elkaar afgestemd. De eerste gaat na wat het verband is tussen betovering en de dynamiek van ‘dépossession’, als een dynamiek die constitutief is voor de menselijke conditie. De tweede bestudeert de plaats van betovering in het levensverhaal en in de narratieve identiteit van de moderne mens, met bijzondere aandacht voor de verankering in de werkelijkheid die door betoveringservaringen wordt teweeggebracht.
Het voornaamste resultaat van dit onderzoek is dat betovering in de moderne tijd een noodzakelijk element blijft van de menselijke zoektocht naar betekenis en een nieuwe, significante rol speelt bij de integratie van betoveringservaringen in de narratieve identiteit.
The Subject of Dwelling in Contemporary Jewish Thought - Thomas Froy (20/04/2026)
Thomas Froy
- Doctoraatsverdediging: 20 april 2026
- Promotoren: Vivian Liska & Arthur Cools
Abstract
Hoe denken we tegenwoordig over thuis? Wat betekent het om ‘erbij te horen’? Om een plek ‘van jezelf’ te noemen? En omgekeerd, hoe is het om ver van huis te zijn? Om het gevoel te hebben dat je er niet thuishoort? Om je niet welkom te voelen?
Dit proefschrift probeert dergelijke vragen te beantwoorden door de lopende discussies binnen het joodse denken over de begrippen ‘thuis’ en ‘wonen’ te onderzoeken. Het begint met het ontrafelen van de begrippen ‘vaderland’ en ‘aarde’ zoals die in het huidige filosofische en politieke discours voorkomen. Thomas richt zich op de Duitse filosoof Martin Heidegger en zijn werk over ‘wonen’, als ideologische voorvader van beide ideeën. Hij richt zich in het bijzonder op zijn poging om wonen te definiëren als een manier van thuis zijn die openstaat voor het ‘onbekende’. Deze openheid wordt gekoppeld aan traditionele discoursen over nationalisme en aan hedendaags werk in het ecologische en ecofeministische denken, om aan te tonen dat voor Heidegger de aarde ons vaderland is, en dat wonen daarin betekent openstaan voor de onbekendheid van de wereld zelf.
In tegenstelling tot Heidegger wend de auteur zich tot een joodse traditie waarin het dagelijks leven centraal staat. Ik interpreteer het dialogische denken van Martin Buber, en zijn latere zionisme, als een oproep om na te denken over de alledaagse interacties die ons huiselijke bestaan kenmerken. De betekenis van thuis wordt niet gevonden door abstractie naar het nationale en het aardse niveau, maar in het dagelijks leven. Dit wordt geïnterpreteerd als een gelijktijdige weerlegging van het begrip ‘Vaderland’ en een opening naar ecologisch denken, in zoverre dat deze aandacht voor het alledaagse een oriëntatie op de materialiteit van het bestaan zelf kan inhouden.
Op een vergelijkbare manier interpreteert Thomas het vroege werk van Emmanuel Levinas als een oproep om na te denken over het dagelijkse leven van het huis zelf: wat doen we, het grootste deel van de tijd, thuis? Eten en slapen. Thuis zijn is voor Levinas een in wezen alledaagse, huiselijke bezigheid. Het laatste deel van het proefschrift gaat in op Jacques Derrida’s denken over gastvrijheid, waarbij het huis een plek is om anderen te ontvangen. Thuis zijn betekent anderen ontvangen.
Het onderzoek wordt afgesloten met een reflectie op het hedendaagse joodse denken en de uitdagingen en kansen voor het denken over thuis, die even actueel en belangrijk zijn als altijd.
Intersecting Injustices: Re-storying Sexual Harassment in Academia - Sofie Avery (1/04/2026)
Sofie Avery
- Doctoraatsverdediging: 1 april 2026
- Promotor: Katrien Schaubroeck
- Co-promotoren: Sarah Van de Velde (Ƶ, Departement Sociologie) en Sigrid Sterckx (UGent)
Abstract
Op basis van feministische filosofie vertrekt dit proefschrift van de volgende onderzoeksvraag: hoe moet seksuele intimidatie in de academische wereld worden geconceptualiseerd als een vorm van structurele onrechtvaardigheid, en welke institutionele verantwoordelijkheden vloeien voort uit deze karakterisering? Om deze vraag te beantwoorden, maak ik gebruik van de perspectieven van Intersectionaliteit, Dominante Discoursen en Epistemische Onrechtvaardigheid, en Institutionele Macht en Verantwoordelijkheid. De belangrijkste theoretische bijdragen van het proefschrift liggen in het conceptualiseren van seksuele intimidatie in de academische wereld als niet louter een interpersoonlijke kwestie, maar als een structurele onrechtvaardigheid, en in het theoretiseren van de specifieke institutionele verantwoordelijkheden van universiteiten voor deze onrechtvaardigheid.
Deze verhandeling onderzoekt seksuele intimidatie als een product van agency en van structuur, en gaat na hoe en waarom verschillende vormen van onrecht elkaar kruisen. Uit de bevindingen blijkt dat deze onrechtvaardigheden de schade van seksuele intimidatie in de academische wereld nog vergroten: een gebrek aan aandacht voor intersectionaliteit; conceptuele vaagheid en ambiguïteit met betrekking tot het label van seksueel grensoverschrijdend gedrag; het afwijzen van getuigenissen van slachtoffers, vooral wanneer deze afwijken van een ‘standaardverhaal’; en het ontbreken van institutionele waarden die aangeven dat seksuele intimidatie onaanvaardbaar is.
Door empirisch onderzoek naar de Vlaamse universitaire context te combineren met filosofische argumentatie over problemen die verder reiken dan de Vlaamse academische wereld, benadrukt mijn analyse de complexe aard van het probleem en de dringende noodzaak van verder onderzoek, beleidsontwikkeling en het herzien van institutionele responsen, met name—maar niet uitsluitend—in de context van het Vlaamse hoger onderwijs. Door de institutionele verantwoordelijkheid van universiteiten voor deze structurele onrechtvaardigheid te theoretiseren en wegen naar institutionele moed in kaart te brengen, nodigt dit proefschrift universiteitsleiders uit om de morele schade van seksuele intimidatie in de academische wereld aan te pakken en de noodzaak van structurele verandering te erkennen.
Dit proefschrift heeft tot doel vertegenwoordigers van universiteiten en beleidsmakers te inspireren door verschillende wegen naar institutionele moed in kaart te brengen: de ontwikkeling van een robuust beleidskader dat de invloed van macht en privileges erkent door aandacht te besteden aan intersectionaliteit en machtsmisbruik; het formuleren van een duidelijk institutioneel standpunt over wat grensoverschrijdend gedrag is; het tegengaan van institutioneel zwijgen door ruimte te creëren voor de ervaringen van slachtoffers buiten disciplinaire hoorzittingen om; het vergroten van de competentie van universiteitsleden in het ontvangen van getuigenissen; het communiceren en institutionaliseren van organisatorische waarden die aangeven dat seksuele intimidatie onaanvaardbaar is; en het veroordelen van schendingen van deze gedeelde waarden door middel van sancties. Kortom, dit proefschrift dringt er bij universiteitsleiders op aan om seksuele intimidatie in de academische wereld niet te benaderen als een incidenteel ongelukje dat niet kan worden voorkomen, maar als een structurele onrechtvaardigheid die kan en moet worden aangepakt.
Landschap van Verlies: Wildernisnarratieven en de Ethiek van Rewilding - Linde De Vroey (26/03/2026)
Linde De Vroey
- Doctoraatsverdediging: 26 maart 2026
- Promotoren: Herbert De Vriese en Geert Van Eekert
Abstract
Dit proefschrift onderzoekt de filosofische, ethische en politieke aspecten van rewilding of verwildering, met een bijzondere focus op het Schotse landschap. Het bestaat uit een reeks gerelateerde papers die samen een ethisch kader ontwikkelen om rewilding te begrijpen als een vorm van transformatieve verandering in de moderne cultuur en samenleving. Het behandelt kwesties zoals de wortels van rewilding in de wildernisbeweging, nostalgie en herbetovering, landeigendom en de integratie van lokale cultuur en erfgoed in een ‘bioculturele’ benadering van rewilding. Daardoor reikt dit proefschrift veel verder dan de ecologische aspecten van natuurherstel, maar onderzoekt het hoe rewilding al dan niet kan bijdragen aan een rechtvaardige ecologische, politieke en culturele transformatie.
Rewilding won de laatste jaren snel aan populariteit als een nieuwe, proactieve benaderingen het natuurherstel die inzet op het herstel van ecosystemen, klimaatmitigatie- en adaptatie, menselijk welzijn, en zelfs op een paradigmaverschuiving in de relatie tussen mens en natuur. Maar rewilding roept ook een aantal filosofische problemen op: van wetenschappelijke incoherentie over conceptueel dualisme tot de ethische en politieke dimensies van transformatieve verandering. Dit proefschrift biedt een kritische verkenning van deze centrale kwesties in het debat over rewilding. Aan de hand van inzichten uit theorie en praktijk beoordeelt het veelvoorkomende verhalen die de rewilding-beweging hebben gevormd waarbij de waardekaders van rewilding worden blootgelegd om zo de morele en politieke belangen van gangbare rewilding-visies te beoordelen.
Een centraal uitgangspunt in dit proefschrift is dat dergelijke beoordelingen altijd binnen een specifieke context gemaakt moeten worden. Daarom staat het Schotse landschap centraal in dit proefschrift. Als levende realiteit, rijk aan verschillende casestudy's, daagt het omstreden landschap van Schotland de centrale theorieën en concepten van rewilding actief uit en verfijnt het deze. Het transformatieve potentieel van rewilding wordt volgens dit proefschrift grotendeels bepaald door de allianties die rewilding smeedt (of weigert te smeden) met de lokale verhalen en structuren die gevormd werden in dialoog met het landschap. Dit inzicht maakt de weg vrij voor een meer plaatsgebonden beoordeling van rewilding als een mogelijk antwoord op concrete ecologische, culturele en politieke uitdagingen, die altijd tegelijkertijd een mondiale en een lokale dimensie hebben. Door de laatste te benadrukken in relatie tot de eerste, biedt deze thesis een nieuwe reeks filosofische instrumenten voor het (her)beoordelen van de morele en politieke dilemma's waarmee ecologisch herstel in historisch omstreden landschappen wordt geconfronteerd.
Over identiteit en transcendentie: Beschouwingen vanuit Charles Taylor en René Girard - David Lebrun (6/03/2026)
David Lebrun
- Doctoraatsverdediging: 6 maart 2026
- Promotoren: Guy Vanheeswijck en Walter Van Herck
Abstract
Wat ons overstijgt, transcendentie, geloven, God: ze lijken taboe. Iets van opa en opa misschien nog? Hoe dan ook uitdovend en dus straks voltooid verleden tijd. Louter deze werkelijkheid, alleen het hier en nu, alleen immanentie lijkt vandaag de gang van zaken te bepalen. Taylor spreekt dan ook over The Immanent Frame. Echter, staat dit laatste zo diametraal tegenover transcendentie? Of is transcendentie precies de drijfkracht geweest die -wellicht onbedoeld- de ruimte schiep waarbinnen zoiets als ons moderne zelf kon ontluiken? Wat we onder moderniteit verstaan, lijkt tegengesteld aan het christendom. Is dat zo? Zowel Taylor als Girard bevragen dit.
Als mens wil je jezelf leren verstaan. Wie ben ik? Wie je bent, heeft te maken met “van waaruit je spreekt en tot wie je spreekt”, aldus Taylor. Dit “van waaruit” brengt ons bij de religie, bij transcendentie die in de loop van de tijd de mens heeft gekneed tot het moderne exemplaar dat hij vandaag is. Of dit “van waaruit” vandaag niet meer van belang is? Voor velen niet. The Immanent Frame is prima. Bovendien: zijn transcendentie en geloof geen bron van uitsluiting en van geweld? Met name Girard zoomt hier op in en zoekt naar een transcendentie die niets aan het geweld verschuldigd is. Zijn lectuur van de joods-christelijke geschriften schetsen hiertoe de contouren.
Of dit overtuigt? Voor velen blijft het onbeslist. Ze zweven tussen een immanentie die niet echt voldoet en een transcendentie die verdacht is geraakt. Ze voelen zich verdeeld tussen een gehechtheid aan een autonomie die ze niet willen prijsgeven én een verlangen naar transcendentie die ze niet langer kunnen vertrouwen. “Liever dan maar het risico nemen een religieuze waarheid te verliezen dan een religieuze overtuiging aan te hangen die nergens op slaat. De mens van vandaag wil niet falen maar durft ook niet springen”. Tevens wordt duidelijk dat voor velen immanentie ons diepste verlangen niet stilt. Terwijl vroegere levensbeschouwelijke posities aan het wankelen worden gebracht, ontstaan tal van nieuwe spirituele en morele pistes. “Het laat een mens zien die hongert en gedreven wordt door wat Taylor noemet: een désir d’ éternité.”(een verlangen naar het eeuwige).
Taylor en Girard wijzen een weg: welke transcendentie mag een aanspraak op ons doen en mee vorm geven aan onze identiteit?
De grenzen van menselijk redeneren. Paradoxen, tegenstrijdigheden en neurowetenschappelijk onderzoek - Konrad Rudnicki (5/01/2026)
Konrad Rudnicki
- Doctoraatsverdediging: 5 januari 2026
- Promotoren: Piotr Łukowski & Bert Leuridan
Abstract
Eeuwenlang hebben filosofen en wetenschappers gedebatteerd over de relatie tussen logica en het menselijk verstand. We beschrijven helder, rationeel denken vaak als 'logisch', ervan uitgaande dat de strikte regels van de formele logica fungeren als de handleiding voor het menselijk redeneren. Hoewel de klassieke logica een normatief kader biedt voor geldige gevolgtrekkingen, wijst empirische observatie er echter op dat menselijke denkprocessen vaak afwijken van deze strikte formaliteiten. Dit proefschrift overbrugt de kloof tussen de abstracte wereld van de logica en de biologische realiteit van het menselijk brein om een fundamentele vraag te beantwoorden: Wat voor soort logica gebruiken mensen daadwerkelijk?
Om dit te beantwoorden, heb ik niet bestudeerd hoe we eenvoudige, alledaagse problemen oplossen. In plaats daarvan heb ik me gericht op 'grensgevallen'—mentale fenomenen die ons redeneervermogen tot het uiterste drijven. Net zoals stresstests de structurele grenzen van fysieke materialen blootleggen, biedt de analyse van hoe de geest deze logische anomalieën verwerkt een uniek inzicht in de grenzen en onderliggende principes van het menselijk redeneren.
Met behulp van neuro-imaging technologie (EEG) heb ik vastgelegd hoe het brein reageert wanneer het geconfronteerd wordt met onmogelijke zinnen. Ten eerste heb ik de beroemde 'Leugenaarsparadox' onderzocht (bijv. de zin "Deze uitspraak is onwaar"). Raakt het brein vast in een eindeloze lus terwijl het probeert deze op te lossen? Mijn onderzoek wijst op het tegendeel. De resultaten toonden aan dat het menselijk brein deze paradox precies op dezelfde manier verwerkt als een simpele leugen. Dit ondersteunt een theorie uit de Middeleeuwen: dat ons verstand automatisch aanneemt dat elke uitspraak beweert waar te zijn, en wanneer deze het tegendeel beweert, we deze simpelweg als onwaar verwerpen.
Ten tweede heb ik onderzocht hoe we omgaan met directe contradicties (bijv. tegelijkertijd tegenstrijdige informatie krijgen). Hoewel sommige theorieën suggereren dat mensen kunnen tolereren dat ze in twee tegenovergestelde dingen tegelijk geloven, wijzen mijn bevindingen erop dat het brein strikte contradicties sterk afwijst. Wanneer het hiermee wordt geconfronteerd, genereert de geest geen tegenstrijdige voorspellingen; in plaats daarvan heeft het de neiging om te 'imploderen'—het redeneerproces volledig te stoppen—of simpelweg de ene helft van de contradictie te negeren om coherentie te behouden.
Samengevat suggereren deze resultaten dat de logica van het menselijk redeneren noch strikt klassiek, noch inherent paraconsistent is. In plaats daarvan lijkt het een pragmatisch, inhoudsgevoelig systeem te zijn dat prioriteit geeft aan consistentie, en logische anomalieën actief oplost of verwerpt om een stabiel model van de werkelijkheid te handhaven.
De context weer tot leven brengen: Affordances in een getemporaliseerd ecologisch heden - Giulia Di Rienzo (18/11/2025)
Giulia Di Rienzo
- Doctoraatsverdediging: 18 november 2025
- Promotoren: Erik Myin (Ƶ) en Ludger van Dijk (Wageningen University)
Abstract
Deze thesis vertrekt vanuit de observatie dat de traditionele cognitieve wetenschap er vaak niet in slaagt om onze directe gevoeligheid voor wat reële situaties van ons vragen adequaat te verklaren. Als reactie hierop bouwt de thesis voort op een alternatieve ontologische houding die deze responsiviteit centraal stelt, en stelt dat een echte aandacht voor het concrete en het particuliere een herziening van onze filosofische methodologieën vereist. In het bijzonder wordt een alliantie voorgesteld met etnografische methoden, zodat het onderzoek kan vertrekken vanuit de praktijk van de echte wereld in plaats van vanuit abstracte beschrijvingen.
Hoofdstukken 1 en 2 behandelen hoe praktische problemen in interdisciplinair samenwerken kunnen worden herkaderd — niet als “cognitivistische” kennislacunes — maar als coördinatievraagstukken binnen praktijken. Hoofdstuk 2 gaat verder in op de beperkingen van traditionele benaderingen om praktische contexten in beeld te brengen. Ik betoog dat deze tekortkomingen voortkomen uit de veronderstelling van een scheiding tussen geest en wereld, of tussen organisme en omgeving, en de noodzaak om die kloof te overbruggen.
Hoofdstuk 3 verkent een alternatief door het concept van organisme-omgeving mutualisme uit te werken. Ik stel dat we, om werkelijk voorbij de dichotomie tussen organisme en omgeving te gaan, moeten onderzoeken hoe interactie wordt begrepen — ofwel via een atemporele interactionistische benadering, ofwel via een transactionele benadering. De thesis stelt dat transactionele mutualiteit de ontologische basis biedt die nodig is om ecologische psychologie te introduceren.
Hoofdstuk 4 gaat dieper in op de ecologische psychologie en benadrukt dat, hoewel haar fundamentele principes geworteld zijn in mutualisme, de interpretatie van dat mutualisme verschilt per traditie. De stroming die het meest aansluit bij de transactionele visie die ik verdedig, is de sociohistorische benadering van ecologische psychologie.
Hoofdstuk 5 bouwt voort op recente ontwikkelingen die de sociale dimensies van perceptie centraal stellen. Binnen deze visie zijn affordances niet beperkt tot het onmiddellijke moment. We moeten afstand nemen van abstracte, lineaire tijdsconcepten en evolueren naar een uitgebreide, dynamische temporaliteit — een die het heden ziet als verstrengeld in de voortschrijdende stroom van praktische betrokkenheid. Dit is wat Van Dijk en Withagen (2015) het ecologische heden noemen: een dynamisch veld waarin handelingen en mogelijkheden wederzijds afhankelijk zijn over meerdere tijdsschalen.
Hoofdstuk 6 richt zich op methodologie en stelt dat we serieus moeten omgaan met de implicaties van dit ontologische perspectief voor filosofisch onderzoek. Ik bepleit dat een soortgelijke verschuiving nodig is binnen de filosofische psychologie en de filosofie van de geest. Als we het hierboven geschetste ontologische wereldbeeld serieus nemen, dan is terugkeren naar de ruwe grond van praktijken niet slechts een methodologische keuze, maar een filosofische noodzaak voor theorievorming. Een wending naar praktijk zou het onderzoek verankeren in de gesitueerde aard van echte betrokkenheid en alledaagse activiteiten, en erkennen dat onze praktijken onlosmakelijk verbonden zijn met de contexten waarin ze plaatsvinden.
Gezamenlijk leggen deze drie bewegingen — het centraal stellen van onbepaaldheid, het prioriteren van gesitueerde praktijken, en het aandacht geven aan fenomenen zoals ze ontstaan en zich ontvouwen — de basis voor een werkelijk wereld-betrokken ecologische psychologie.
Hoofdstukken 7 en 8 presenteren de empirische basis van de thesis, bestaande uit één gepubliceerd artikel en één ingediend manuscript. Deze hoofdstukken maken gebruik van etnografische data en tonen aan hoe de theoretische inzichten die in de thesis zijn ontwikkeld, voortkomen uit en verankerd zijn in wetenschappelijke praktijken uit de echte wereld.
Ethics in Synthetic Biology: Towards an Embedded and Pluralistic Framework for Responsible Innovation - Varsha Aravind Paleri (17/11/2025)
Varsha Aravind Paleri
- Doctoraatsverdediging: 17 november 2025
- Promotor: Kristien Hens
Abstract
Dit proefschrift onderzoekt de ethische dimensies van synthetische biologie (SynBio), een zich snel ontwikkelend vakgebied op het snijvlak van biologie en techniek. SynBio overstijgt traditionele biotechnologische interventies en introduceert nieuwe vormen van manipulatie die het mogelijk maken bestaande levensvormen te bewerken en zelfs nieuwe te creëren, waardoor de grenzen tussen het natuurlijke en het kunstmatige en tussen leven en technologie worden verlegd. Het eerste deel van het proefschrift bespreekt de belangrijkste ethische vragen die SynBio oproept en onderzoekt hoe deze vragen ons begrip van fundamentele concepten zoals leven, natuur en technologie veranderen. Het tweede deel presenteert de perspectieven van SynBio-wetenschappers zelf, gebaseerd op hun reflecties op de ethische uitdagingen die ze in hun dagelijkse laboratoriumpraktijken tegenkomen. Het derde deel biedt een alternatief kader om deze zorgen aan te pakken door een niet-dualistisch filosofisch perspectief te introduceren, dat dualiteiten zoals natuurlijk/kunstmatig en leven/machine herinterpreteert vanuit een meer integratieve invalshoek. Ten slotte stelt het proefschrift zowel een Standaard Operatie Procedure (SOP) als een ‘ethics-by-design’-toolbox voor om ethische reflectie praktisch en continu in wetenschappelijk onderzoek te verankeren. Er wordt gepleit voor een duurzame samenwerking tussen ethici en wetenschappers, beginnend bij de conceptie van een project, om te garanderen dat ethisch onderzoek een integraal onderdeel wordt van het ontwerp en de ontwikkeling van synthetische biologie.
Algoritmes oordelen: Een analyse van politieke subjectiviteit in algoritmische publieke ruimten met Arendt en postfenomenologie - Anthony Longo (19/06/2025)
Anthony Longo
- Doctoraatsverdediging: 19 juni 2025
- Promotoren: Arthur Cools en Geert Van Eekert
Abstract
De verwevenheid van technologie en politiek is zo oud als het politieke leven zelf. Doorheen de geschiedenis heeft de ‘publieke sfeer’ steevast vertrouwd op media en technologieën om zaken zichtbaar en publiek te maken—van de drukpers tot televisie en het internet heeft elk medium op zijn eigen manier bepaald hoe gebeurtenissen politieke en publieke aangelegenheden worden en hoe burgers daarop reageren. De opkomst van algoritmes op sociale media lijkt deze dynamiek echter fundamenteel te hebben veranderd. In tegenstelling tot traditionele media, structureren algoritmen real-time en van achter de schermen wat verschijnt, voor wie, en in welke context. Dit heeft geleid tot de groeiende bezorgdheid dat algoritmes niet alleen de publieke sfeer hervormen, maar zelfs haar bestaanscondities ondermijnt. Filosofen en sociale wetenschappers waarschuwen voor filterbubbels, datagestuurde manipulatie en het verlies van een gedeelde werkelijkheid, wat bijdraagt aan een wijdverspreid crisisdiscours. Sommigen stellen dat algoritmische mediatie het publiek passiever heeft gemaakt, waarbij politieke handelingsvrijheid steeds meer overschaduwd wordt door ondoorzichtige, winstgedreven systemen. Deze studie onderzoekt deze claims kritisch en stelt de vraag: Hoe bemiddelen algoritmische systemen de publieke sfeer en wat betekent dit voor het politiek oordeels- en handelingsvermogen? In plaats van de dominante crisisnarratief te volgen, verken ik hoe algoritmische publieken niet louter ruimtes van verval zijn, maar dynamische sites waarin politieke subjectiviteit voortdurend wordt onderhandeld. Op basis van het werk van Hannah Arendt en postfenomenologie heronderzoekt dit proefschrift de mediatieprocessen waarbinnen politiek handelen en oordelen tot stand komen in algoritmische omgevingen. In plaats van algoritmen te beschouwen als neutrale tools of deterministische krachten, betoog ik dat ze een ‘processual in-between’ totstandbrengen: een instabiele ‘tussenruimte’ waarin politieke subjectiviteit wordt gevormd door interacties tussen mensen en algoritmes. Algoritmische omgevingen verstoren het traditionele verband tussen materialiteit en publieke zichtbaarheid, wat een herziening vraagt van wat het betekent om te verschijnen, te handelen en te oordelen in een digitaal tijdperk. Door een theorie van technologische mediatie te integreren in Arendts politieke theorie, daagt deze studie de wijdverspreide ‘black box’-metafoor van algoritmes uit door de focus te verschuiven van algoritmische ondoorzichtigheid naar de relaties tussen sociale mediagebruiker en algoritmes. Zo wordt zichtbaar hoe technologieën niet alleen publiek discours mede vormgeven, maar ook de manieren beïnvloeden waarop individuen zichzelf en anderen als deel van een publiek (h)erkennen.