Historiek van de Faculteit Ontwerpwetenschappen
De Faculteit Ontwerpwetenschappen bouwt voort op een lange voorgeschiedenis die teruggaat tot de zeventiende eeuw. Voor de huidige faculteit kan historisch enkel worden verwezen naar de discipline architectuur, die rechtstreeks verbonden is met de Koninklijke Academie van Antwerpen.
Het architectuuronderwijs aan de Koninklijke Academie van Antwerpen beslaat, gerekend vanaf haar stichting in 1663, een periode van ongeveer 180 jaar: van 1765 tot 1946. Dat architectuuronderwijs lijkt vandaag vanzelfsprekend, maar was dat in de zeventiende en achttiende eeuw allerminst. Bij de oprichting deden de initiatiefnemers, onder wie David Teniers, de wens ontstaan om onderwijs te organiseren ‘in de meet-, bouw- en doorzichtkunde’. Door geldgebrek en het ontbreken van voldoende kritische massa werd echter noch architectuur, noch perspectiefleer effectief in het programma opgenomen.
Rond het midden van de zeventiende eeuw was er in Antwerpen nauwelijks behoefte aan nieuwe architectuur, laat staan aan de opleiding van architecten. Het bouwen werd traditioneel uitgevoerd door leden van het ambacht van de Vier Gekroonden (steenhouwers, metselaars, schaliedekkers en kasseiers). Wanneer het aankwam op ontwerp, tekenwerk of het toepassen van de klassieke vormentaal, maakte de Sint-Lucasgilde bovendien aanspraak op het exclusieve recht op de disegno: het uitwerken van een idee tot een ontwerp.
Rond 1700 nam de Antwerpse schilder Abraham II Genoels, die jarenlang in Frankrijk en Italië verbleef, naar eigen zeggen het initiatief om ‘uit liefde voor de kunst te Antwerpen de jonckheit te onderwijzen in de schilder-, beeldhouw-, bouw- en meetkunde’. Toch werd ook toen nog geen autonome architectuurklas opgericht. In 1756 werd, op initiatief van schilder Cornelis d’Heur, een lessenreeks georganiseerd in de ‘grondregels der geometrie, architectuur en perspectief’. Het jaar 1765 geldt algemeen als het stichtingsjaar van een volwaardige architectuuropleiding aan de Antwerpse academie. Vanaf dat moment bleef het architectuuronderwijs ononderbroken bestaan, tot het in 1946 werd afgescheiden van de academie.
De architectuuropleiding stond onder leiding van een eigen professor, los van de directeurs-professoren van de academie. Willem Herreyns was de stichter van de architectuurklas en leidde deze vanaf 1765.
In 1807 verhuisde de academie van de Nieuwe Beurs, waar zij sinds 1663 gevestigd was, naar het geseculariseerde minderbroederklooster. Ingenieur Joseph Nicolas Mengin ontwierp de plannen voor de herinrichting van het gebouw en voerde daarbij een duidelijke scheiding door: de beeldende kunsten werden ondergebracht op het gelijkvloers, terwijl de architectuur- en perspectiefklassen op de eerste verdieping werden ingericht. Deze situatie bleef behouden tot het midden van de twintigste eeuw.
Het einde van het architectuuronderwijs binnen de Antwerpse academie werd na de Tweede Wereldoorlog ingezet. Architect Léon Stynen (1899–1990), overtuigd modernist, belichaamde deze breuk. Vanaf 1937 was hij professor architectuur aan de academie; in 1944 werd hij benoemd tot tweede directeur, naast hoofddirecteur Isidoor Opsomer. Stynen pleitte voor een grondige hervorming van de architectuuropleiding, zowel structureel als inhoudelijk, geïnspireerd door de ideeën van CIAM, waarvan hij lid was binnen de Belgische afdeling.
In 1949 ontwierp Stynen een volledig nieuwe architectuurschool voor Linkeroever, maar het ontbreken van voldoende financiële middelen verhinderde de realisatie ervan. Wel slaagde hij erin Camille Huysmans te overtuigen van de noodzaak om de architectuuropleiding los te koppelen van de academie.
Die scheiding werd in 1946 voltrokken, zij het met twee belangrijke beperkingen: de nieuwe opleiding Architectuur bleef samen met de academie op dezelfde site gevestigd en werd aanvankelijk geklasseerd als hoger middelbaar onderwijs. Pas met het Regentbesluit van 18 november 1949 werd een hervorming goedgekeurd waarbij de opleiding een duur van vijf jaar kreeg. Het Koninklijk Besluit van 5 mei 1952 voerde de administratieve scheiding tussen de architectuuropleiding en de academie definitief door. Ook werd de nieuwe benaming Nationaal Hoger Instituut voor Bouwkunst en Stedebouw (NHIBS) erkend en werd de opleiding ondergebracht in het hoger onderwijs.
Aan het NHIBS werden, naast architectuur, ook opleidingen in stedenbouw, binnenhuisarchitectuur en bouwkundig tekenen georganiseerd. Anders dan het architectuuronderwijs waren het statuut en de programma’s van deze opleidingen aanvankelijk minder strikt gereglementeerd. Vanaf het academiejaar 1967–1968 werd het programma van de afdeling Stedenbouw hervormd en genormaliseerd. De afdeling Binnenhuiskunst bestond reeds sinds 1946 (vanaf 1964–1965 onder de naam Binnenhuisarchitectuur), maar werd pas in 1969 officieel erkend.
Aanvankelijk werd de vijfjarige opleiding zowel in dag- als avondonderwijs georganiseerd; vanaf 1964–1965 bleef enkel een vierjarige dagopleiding over. Reeds in 1952 werd nagedacht over de oprichting van twee nieuwe afdelingen: Industriële Vormgeving en Restauratie van Oude Monumenten. De afdeling Industriële Vormgeving werd uiteindelijk opgericht in 1965, terwijl Monumentenzorg pas in 1978 volgde.
Met de wet op het hoger onderwijs van 1970 werd een eerste brede hervorming van het Belgische hoger onderwijs ingezet. De wet onderscheidde voortaan opleidingen van het korte en het lange type. Binnenhuisarchitectuur en Industriële Vormgeving werden ondergebracht in het Hoger Kunstonderwijs van respectievelijk de tweede en derde graad. Stedenbouw en Monumentenzorg kwamen eveneens onder het Hoger Kunstonderwijs te vallen, terwijl de architectuuropleiding werd ingedeeld bij het Artistiek Hoger Onderwijs van het Lange Type. Het NHIBS werd in dat kader omgevormd tot het Hoger Architectuurinstituut van het Rijk (HAIR).
Na de opheffing van het rijksonderwijs in 1989, als gevolg van de overdracht van onderwijsbevoegdheden naar de gemeenschappen, veranderde de instelling in 1991 van naam en werd zij het Henry van de Velde-instituut. Deze overgang vormde de aanzet tot een grondige hertekening van het hoger onderwijs in Vlaanderen. Met het kaderdecreet van 23 oktober 1991 en het hogescholendecreet van 13 juli 1994 werd een nieuwe, eengemaakte structuur uitgebouwd voor het hoger onderwijs buiten de universiteit. Het Henry van de Velde-instituut verloor hierbij zijn autonomie en werd in 1995 opgenomen in de nieuw opgerichte Vlaamse autonome Hogeschool Antwerpen.
Voor de opleiding Architectuur had deze integratie weinig onmiddellijke gevolgen, maar Binnenhuisarchitectuur onderging ingrijpende wijzigingen. Het opleidingsprogramma Interieurarchitectuur werd volledig herzien. De opleidingen Bouwkundig Tekenen, Monumenten- en Landschapszorg en Stedenbouw en Ruimtelijke Planning werden niet langer georganiseerd binnen de hogeschool. De laatste twee werden tijdelijk afgestoten en als postgraduaatsopleidingen ondergebracht bij het Centrum voor Volwassenenonderwijs in Deurne. De opleiding Industriële Vormgeving werd heringericht als een twee-cycli-opleiding Productontwikkeling.
In 2000 werd de interne structuur van de Hogeschool Antwerpen herbekeken en werden de departementen Architectuur en Productontwikkeling opnieuw samengevoegd tot het Departement Ontwerpwetenschappen, bestaande uit twee duidelijk onderscheiden afdelingen: het Hoger Instituut voor Architectuurwetenschappen Henry van de Velde en het Hoger Instituut voor Integrale Productontwikkeling.
De Bologna-verklaring van 1999, die een eengemaakte Europese ruimte voor hoger onderwijs beoogde, leidde tot het structuurdecreet van 4 april 2003. Hierdoor werden vanaf het academiejaar 2004–2005 de opleidingen van graduaten, kandidaturen en licentiaten vervangen door professionele en academische bachelor- en masteropleidingen. Hogescholen die academische opleidingen wilden aanbieden, dienden zich te associëren met een universiteit.
In Antwerpen resulteerde dit op 1 september 2003 in de oprichting van de Associatie Universiteit en Hogescholen Antwerpen (AUHA). Binnen deze associatie met de Universiteit Antwerpen organiseerde het Departement Ontwerpwetenschappen bachelor- en masteropleidingen in Architectuur, Interieurarchitectuur en Productontwikkeling. In 2005–2006 werden ook de masteropleidingen Stedenbouw en Ruimtelijke Planning en Ontwerp, en Monumenten- en Landschapszorg aan het aanbod toegevoegd.
Ter voorbereiding van de integratie van deze academische ontwerp- en architectuurgerelateerde opleidingen in de universiteit werd in 2011 binnen de AUHA de Associatiefaculteit Ontwerpwetenschappen opgericht. Vanaf het academiejaar 2013–2014 biedt de nieuwe Faculteit Ontwerpwetenschappen zes academische bachelor- en masteropleidingen aan: Architectuur (BA/MA), Interieurarchitectuur (BA/MA), Productontwikkeling (BA/MA), Monumenten- en Landschapszorg (MA), Stedenbouw en Ruimtelijke Planning (MA) en Conservatie & Restauratie (MA).
De opleiding Conservatie & Restauratie werd oorspronkelijk opgericht in 1988 aan het Nationaal Hoger Instituut voor Schone Kunsten te Antwerpen. Het is de enige academische opleiding tot conservator-restaurator in Vlaanderen en maakt sinds 2013 deel uit van de Faculteit Ontwerpwetenschappen.